Trends in onderwijstechnologie en hun waarde voor ontwikkelingslanden
Een recensie van de Fifteenth European Conference On Technology Enhanced Learning (EC-TEL) 2020/DELFI 2020, samengevoegd tot ECTELFI, van 14 t/m 18 september 2020, die zou plaatsvinden op de Heidelberg University of Education, maar vanwege de Covid-epidemie online is gehouden.
Een recensie in het kader van de cursus Trends in onderwijs en onderwijswetenschappen van de Master Onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit - Trends 2.
De conferentie en de leervraag
Digi-leren in greep big tech kopte dagblad Trouw op 7 augustus jl. De lockdowns, waarbij 1,6 miljard leerlingen wereldwijd thuis zaten, gaven een impuls aan de investeringen in digitaal onderwijs, aldus de krant. De auteur werpt de vraag op wie er uiteindelijk zullen profiteren van de recordinvesteringen die momenteel gedaan worden in nieuwe technologieën. Deze v raag stelt het thema van de conferentie ECTELFI in een bijzonder actueel daglicht.
ECTELFI is een samenvoeging van twee jaarlijks terugkerende Europese conferenties die zich richten op de toepassing van technologie in onderwijs en leren. Het thema van de conferentie was dit jaar: Global challenges and quality education, waarmee de relatie wordt gelegd tussen het onderzoeksdomein en de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties (United Nations Sustainable Development, z.d.), in het bijzonder SDG 4 (Quality education) en SDG 10 (Reduced inequalities within and among countries) (EC-TEL 2020, z.d.). De vierdaagse conferentie omvatte een programma met keuze uit 74 paper-presentaties, 24 parallelsessies, 14 workshops, 4 keynotes en 2 doctorale consortia. Verder waren er diverse posterpresentaties en demo’s.
In deze recensie blik ik terug op slechts een selectie uit het veel omvattende programma. Dat doe ik als student Onderwijswetenschappen en vanuit mijn beroepsperspectief als product owner voor een landelijk leerlingenadministratie en -volgsysteem. In deze sector zijn de snelle technologische ontwikkeling van de afgelopen jaren en de voordelen voor het onderwijs duidelijk zichtbaar. Maar bredere inzet van technologie leidt tot hoge structurele uitgaven voor hardware, software en ICT-infrastructuur. Inzet van moderne technologie lijkt hierdoor exclusief te worden voor welvarende landen en hier als een vliegwiel de ontwikkeling steeds verder aan te wakkeren. Naast de kosten voor de ‘harde’ technologie vormt de afstemming van digitale content op de lokale behoefte en het opbouwen en overdragen van kennis en vaardigheden over de inzet van deze technologieën daarbij wellicht een even grote uitdaging (Bhuasiri, Xaymoungkhoun, Zo, Rho, & Ciganek, 2012; Tshabangu & Msafari, 2013).
Als
rijke landen investeren in global challenges als quality education en
industry, innovation and infrastructure met optimale technologieën in
het nastreven van decent work and economic growth, dan worden doelen als
no poverty, zero hunger en reduced inequalities elders op
de proef gesteld. Tenminste, als deze inspanningen beperkt blijven tot de eigen
bevolking of de eigen economische unie. Toch zijn er ook hoopvolle
ontwikkelingen in technologie en wetenschap die mogelijk kansen bieden om
achterstanden te overbruggen, zoals een toegenomen toegang tot (mobiel)
internet en open access tot wetenschappelijke kennis. Daarom is mijn
centrale vraag voor deze conferentie: Welke kansen, inzichten en
aandachtspunten bieden de nieuwe trends in onderwijswetenschap en technologie
om het doel van quality education ‘for all’ te verwezenlijken en
dragen bij aan de ontwikkeling van minder ontwikkelde regio’s?
Op
basis van deze vraag heb ik voor deze recensie twee workshops en een keynote geselecteerd.
Learning Analytics in Underrepresented Regions (LAUR) is de
eerste workshop die ik de revue laat passeren en behandelde ervaringen vanuit
pilots en reviews van learning analytics (LA) in regio’s waar het
onderzoek naar LA nog achterblijft. De tweede workshop Designing and
Facilitating Educational Location-based Applications (DELbA) richtte zich
op de voordelen van locatie-gebaseerde apps voor onderwijsdoeleinden. In
de keynote getiteld Beyond education as skill collection and
technology as a tool, beschouwde Linda Castañeda, als docent Onderwijskundige
technologie verbonden aan de Universiteit van Murcia in Spanje, het transformeren
van leeromgevingen naar nieuwe, technologisch gedreven leeromgevingen in een
digitale wereld.
Learning Analytics in ondergerepresenteerde
regio’s
Het
doel van de workshop werd toegelicht door prof. Pedro Muñoz-Merino van de Universiteit
Carlos III in Madrid, tevens de voorzitter van de workshop. Hij constateert dat
LA zich snel ontwikkelt, er belangrijke verschillen zijn in het gebruik van LA
in de wereld en er een uitdaging ligt om LA te adopteren, aan te passen en te
implementeren in ondergerepresenteerde regio’s, zoals Afrika, delen van Azië en
Latijns-Amerika. Het LALA project richt zich hierbij op toepassingen in Latijns-Amerika.
Het doel van deze sessie was om te leren van de resultaten en ervaringen uit de
verschillende pilots.
Na
deze inleiding gaf Mar Pérez-Sanagustín, als docent verbonden aan de universiteit
Paul Sabatier in Toulouse en als onderzoeker aan de Katholieke Universiteit van
Chili, een toelichting op het LALA Framework voor de adoptie en implementatie van
LA-tools in Latijns-Amerikaanse hoger onderwijsinstellingen. Dit framework
onderscheidt een institutionele, technologische, ethische en
gemeenschapsdimensie. Pérez-Sanagustín legt uit, dat deze dimensies kunnen
dienen als workflows, waarbij de stappen diagnose, ontwerp, pilot
en opschaling in de genoemde volgorde worden doorlopen. Als zij
vervolgens inzoomt op de verschillende dimensies, zie ik veel overlap met het algemene
framework voor LA van Greller en Drachsler (2012). Het LALA Framework heeft echter
een specifieke focus op de inzet van LA op instellingsniveau.
Volgens
Pérez-Sanagustín is de centrale vraag in die institutionele dimensie welke
behoeften de instelling heeft om LA toe te passen, waarbij alle relevante stakeholders
betrokken worden. Het werkplan voor deze dimensie bestaat uit (1) het stellen
van een diagnose, (2) het begrijpen van de politieke context en de
institutionele behoeften, (3) het vaststellen van wat verwacht wordt van het
gebruik van onderwijsdata en (4) het ontwikkelen van een veranderstrategie. Daarbij
stelt Pérez-Sanagustín dat de instelling de richtlijnen per dimensie kan
gebruiken wanneer ze nodig zijn.
In
deze presentatie vallen mij drie zaken op. Het startpunt van het bepalen van de
behoeften en het betrekken van de stakeholders komt overeen met het
belang dat Greller en Drachsler (2012) in hun framework hechten aan het
in kaart brengen van de doelen die LA beoogt te ondersteunen. Maar waar zij en
Scheffel et al. (2019) de nadruk leggen op het ontwikkelen van LA vanuit de
leeractiviteit, komt dit niet expliciet naar voren in het LALA Framework. Het
tweede wat opvalt, is dat het werkplan speciale aandacht heeft voor adoptie. Het
framework vindt hier steun in de literatuur, waarin gewezen wordt op het belang
van het bevorderen van motivatie, het bewustzijn en de overtuiging van het nut
en het gemak dat technologie (i.c. LA) kan opleveren (e.g., Bhuasiri et al.,
2012). Toch vraag ik mij af of bij deze benadering LA niet te veel als middel
op zichzelf wordt beschouwd. Deze vraag keert later ook terug in de keynote van
Castañeda. Mijn derde kanttekening betreft de vrijblijvendheid van het
uitgangspunt dat het framework wordt gebruikt waar nodig. Het risico van een
onvolledige analyse en een dito uitwerking ligt dan op de loer. Greller en
Drachsler (2012) zien hun framework daarom ook als een soort checklist.
In
de gezamenlijke activiteit die volgde na de presentatie, werden de deelnemers gevraagd
om op een assenstelsel van organisatie-volwassenheid (van bewustzijn tot
transformatie) en leiderschap (van bottom-up tot top-down) hun ervaringen
vanuit de pilots in te delen. Daarna werden de uitdagingen benoemd die de
deelnemers in de instellingen tegenkwamen en werden deze gecategoriseerd in zes
thema’s: (1) communicatiestrategie, (2) gebrek aan LA-cultuur, (3) technische
issues, (4) omzetten van data naar impact, (5) concurrerende prioriteiten en
(6) ethiek en privacy. Bij de thema’s (2) LA-cultuur en (3) technische issues werden
de meeste uitdagingen geplaatst. De thema’s (1) communicatie-strategie en (2) LA-cultuur
werden aangewezen als de belangrijkste thema’s bij implementaties en (2) LA-cultuur
als het thema met de grootste impact op adoptie. Bij de genoemde uitdagingen als “problemen met
centrale implementatie”, “stakeholders zijn niet bewust van de mogelijkheden”,
“angst voor nieuwe problemen”, “angst voor meer werkdruk” en “verandering van mindset”
vraag je je af of er echt vanuit de vragen en doelen van de stakeholder is
ontworpen. Daarnaast viel het mij op dat het thema (6) ethiek en privacy beperkte
aandacht en een lage prioriteit kreeg, omdat Salas‐Pilco en Yang (2020) dit een
belangrijk punt van zorg noemen vanwege de gebrekkige wetgeving in de meeste
Latijns-Amerikaanse landen.
De
organisatoren nodigden mij ook uit om deel te nemen aan de sessie, ook al kon
ik zelf geen ervaring inbrengen vanuit een Latijns-Amerikaanse pilot. Onder
thema (4), omzetten van data naar impact, had ik daarom mijn observatie
geplaatst dat het onderwijs in Nederland wel veel data tot haar beschikking
heeft, maar vaak de vertaalslag van bewustzijn en reflectie naar actie of
bijsturing moeilijk vindt. Bij de prioritering van cruciale impact op de adoptie
van LA kreeg dit thema echter de minste stemmen. Terwijl juist het kunnen
maken van die vertaalslag in mijn optiek cruciaal voor het ontwerp van LA. Deze
prioritering legt enerzijds mogelijk het verschil bloot tussen de fases van de
Nederlandse en de Latijns-Amerikaanse ontwikkeling, maar anderzijds kan het ook
duiden op het probleem dat Casteñeda later ook zal aanhalen, namelijk dat de
ontwikkeling van de onderwijstechnologie nog te weinig in de context van het
onderwijs zelf plaatsvindt.
Na
de gezamenlijke activiteit werden nog drie pilots toegelicht vanuit
paper-presentaties over de adoptie van LA. Ook in deze presentaties werd
het belang van een LA-cultuur, communicatie en goed leiderschap (volgens de
onderzoekers een combinatie van bottom-up en top-down) benadrukt. In de open nabespreking
werd mij gevraagd naar het gebruik van LA in Nederland. Ik heb daarbij mijn
idee geschetst van de uitdaging waar onderwijsinstelling voor staan om data te
vertalen naar de onderwijspraktijk. Ook heb ik verteld hoe we bij de bouw van
nieuwe software en indicatoren proberen te werken vanuit de werkprocessen, het
gedrag en de wensen van de stakeholders. Mijn vraag terug aan de community was
hoe zij de toepasbaarheid inschatten van hun bevindingen en framework op andere
ondergerepresenteerde regio’s. Muñoz-Merino verwacht dat deze toepasbaar zijn,
maar hij denkt wel dat de uitdagingen per regio zullen verschillen. Stakeholders
zullen ideeën moeten omarmen, er zal een institutional push nodig zijn
en voldoende financiële middelen om LA-tools te ontwikkelen.
Met
de interactieve werkvorm en de open dialoog gaf deze workshop een bijzondere
inkijk in de stand van zaken van LA in Latijns-Amerika. Als Nederlandse student
voelde ik me enigszins een buitenstaander in een workshop die voornamelijk door
leden van de LALA Community werd bijgewoond. Toch was dat gevoel gauw verdwenen
door de prettige en open houding van deze wetenschappers. Uit de pilots bleek,
dat LA al op diverse manieren inzetbaar is in dit werelddeel. Door naadloos aan
te sluiten op de behoefte van de stakeholders en de leeractiviteit meer
centraal te stellen, kunnen wellicht problemen rond adoptie worden
voorkomen. Sterker, adoptie zou geen fase of knelpunt moeten zijn, maar een
vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces van meet af aan. Voor
vrijblijvendheid in de uitwerking van dimensies van het framework zou dan ook
geen plaats meer mogen zijn.
Ontwerpen en faciliteren
van locatie-gebaseerde onderwijsapplicaties
De
workshop werd ingeleid door Heinrich Söbke, docent aan de Bauhaus Universiteit in
Weimar en had als doel om de discussie te bevorderen over de contexten waarin
locatie-gebaseerde applicaties apps het meest van waarde zijn. Kunnen dat ook
contexten zijn in ontwikkelingslanden? Op die vraag zoek ik een antwoord. In de
literatuur komt in elk geval naar voren, dat in ontwikkelingslanden veel
behoefte is aan locatie-gebaseerde content (Tshabangu & Msafari, 2013;
Bhuasiri et al., 2012). Daarnaast zien Chin en Jacobsson (2016) een grote kans
in de sterk toegenomen toegang tot internet en de beschikking over mobiele devices
onder jongeren. De tweede sessie bleek voor mijn vraag het meest interessant.
Mariano Velamazan beet in die sessie het spits af met de
presentatie van de paper Collaborative educational location-based activities
(ELbAs) with no teacher supervision: Design implications. Velamazan
leidt de presentatie in met de kansen die ELbAs bieden om overal en op ieder
moment te kunnen leren. Daarbij ontbreekt de directe supervisie van een leraar en
wordt zelfstandigheid gevraagd van leerlingen. In dit onderzoek lag de nadruk
op het samenwerkingsaspect van locatie-gebaseerde apps. Het doel was, aldus
Velamazan, om samenwerkingsactiviteiten met spelelementen te analyseren, die een
mix vormen van formeel en informeel leren buiten de school. Deze analyse had
tot doel om aanwijzingen te ontwikkelen voor toekomstige ontwerpen van
locatie-gebaseerde apps. Het onderzoek richtte zich op twee vragen: Wat gebeurt
er als studenten samenwerken in informele situaties buiten de supervisie van de
leraar? En wat vinden studenten daarvan?
Het onderzoek betrof een casestudy op basis van een wiskunde-game
voor 15- en 16-jarigen. Deze leerlingen werkten in kleine groepen samen, zonder
supervisie en buiten de school. Deze groepen werden geobserveerd en vulden
achteraf een vragenlijst in. Velamazan en zijn co-auteurs vonden positieve
resultaten met de inzet van de game. Leerlingen beoordeelden de activiteit zeer
positief, ook als zij een laag zelfbeeld hadden ten aanzien van
wiskundecapaciteiten. Dit wijst er volgens Velamazan op dat leerlingen het nut
inzien van wiskunde in het dagelijks leven, ondanks hun lage zelfbeeld. Verder
waardeerden zij in de activiteit de samenwerking, het plezier hebben met wiskunde
en het zelfstandig buiten zijn. Dit pleit volgens Velamazan voor het bevorderen
van samenwerking en probleemoplossing buiten de school.
Mario
Wolf presenteerde de tweede paper Location-based apps in environmental
engineering higher education. Voor onderwijs aan
milieu-ingenieurs is het waardevol om ervaring op te doen op de praktijklocatie.
Maar Wolf schetst enkele problemen die zich vaak voordoen bij leraar-gestuurde on-site-inspecties:
sommige studenten staan dichtbij en krijgen veel mee, anderen staan verder weg,
verstaan minder en onttrekken zich aan de aandacht van de leraar. Locatie-gebaseerde
apps die informatie verschaffen over de specifieke locatie kunnen uitkomst
bieden. De studie van Wolf en zijn collega’s betrof daarom de toepassing van
een locatie-gebaseerde app, een speurtocht-game, bij een les on-site-inspectie en
had tot doel om te achterhalen of de app tot een gelijkwaardige of betere
overdracht van kennis zou leiden en zo een leraar-gestuurde on-site-inspectie
zou kunnen vervangen. Bij de ontwikkeling van de app hebben Wolf en zijn
collega’s niet alleen de noodzakelijke relevante technische kennis van de site
opgenomen, maar ook historische en contextuele informatie die interessant kan
zijn voor de studenten.
Tijdens
deze field study is gebruik gemaakt van een vragenlijst, observaties en
gestructureerde interviews met studenten. De studie wees uit, dat het gebruik
van de app zeer goed ontvangen werd door de studenten en leidde tot hoge
motivatie en een positieve houding. De toevoeging van de contextuele en
historische informatie droeg hier duidelijk aan bij. De gehanteerde bring-your-own-device-benadering
werkte uitstekend. Wolf merkt wel op, dat de kosten van de app zullen oplopen
bij grootschaliger toepassing in verband met de licenties die niet nodig waren
voor dit onderzoek.
Ioana Stefan presenteerde de derde paper Designing
and implementing a gamified educational location-based application for raising
awareness on sustainability issues among students. Volgens
Stefan en haar co-auteurs wordt duurzaamheid een steeds prominenter thema in
het formele onderwijs. Maar er ligt een uitdaging in de vraag hoe de
theoretische definities van de 17 SDG’s van de Verenigde Naties vertaald kunnen
worden naar het dagelijks handelen. Locatie-gebaseerde apps kunnen helpen om studenten
relevante informatie te verschaffen over de context waarin zij zich begeven en die
behulpzaam is bij het maken van die vertaling. Het doel van het onderzoek was om
te achterhalen of studenten de abstracte SDG’s makkelijker begrijpen en
toepassen aan de hand van locatie-gebaseerde apps dan via de gebruikelijke casestudy’s.
De
app die voor het onderzoek gebruikt is, betrof een schatzoek-game met
uitdagingen die te maken hebben met de context van de locatie. De resultaten laten
zien dat de app kan boeien, motiveren en een mentaliteit kan creëren die
gericht is op duurzaamheid. De combinatie van virtuele en fysieke omgevingen
leidt, aldus Stefan, tot verantwoordelijker gedrag en draagt bij aan het
vermogen om overwogen beslissingen te nemen. Ook in dit onderzoek is het
concept van bring-your-own-device gehanteerd, maar Stefan wijst wel op de
noodzaak om na te denken over de problemen die hierbij kunnen ontstaan. De
onderzoekers willen in later onderzoek achterhalen of dezelfde app kan worden
omgezet naar andere omgevingen door alleen de locatie-gebaseerde content te
vervangen.
De
eerste en de derde presentatiesessie van deze workshop richtten zich met name op
hoogtechnologische uitwerkingen en toepassing van locatie-gebaseerde apps,
uitgaande van live-gps-locaties. Deze waren voor mijn leervraag minder
interessant. Maar de tweede sessie leverde met de hierboven besproken
presentaties een aantal interessante inzichten op, die mogelijk ook
veelbelovend zijn in de context van minder ontwikkelde landen waar studenten
wel de beschikking hebben over mobiele devices en internet. Deze toepassingen
en bevindingen sluiten aan bij de kansen die Chin en Jacobsson (2016) zien en het
belang dat Tshabangu en Msafari (2013) toekennen aan curriculum en de content
die past in de context waarin de studenten zich bevinden.
Om
deze aanname te toetsen, heb ik de vraag ook voorgelegd aan de onderzoekers
Söbke en Wolf. Zij onderschrijven het idee van Chin en Jacobsson. Mobiele
netwerken zijn volgens hen, verwijzend naar diverse initiatieven, een kansrijke
basis voor informatievoorziening en cowdsourcing. Uit de
paper-presentaties bleek echter, dat de onderzoeken alle drie het bring-your-own-device-principe
hanteerden. Alleen Stefan wijst daarbij op mogelijke problemen. In de context
van minder ontwikkelde landen zal dit advies wel extra ter harte genomen moeten
worden, aangezien onderbreking van de infrastructurele voorzieningen daar
waarschijnlijk meer voorkomt (Tshabangu & Msafari, 2013; Bhuasiri et al.,
2012).
Naar een bredere kijk op de
transformatie naar digitale leeromgevingen
Castañeda toont een kort fragment uit de film
The Matrix uit 1999, waarin het karakter Trinity via technologie in een ogenblik
een helikopter leert besturen. Dit was het doel wat onderwijstechnologen voor
ogen hadden: leren wat jij wilt leren, op jouw moment en op de meest effectieve
manier. Maar ze gingen nog een stap verder, zo stelt Castañeda. Ze wilden ook
de operator, het karakter dat Trinity van de juiste code voorzag om zo
snel te kunnen leren, zelf automatiseren met slimme algoritmen en LA. Dan wordt
voor ons besloten wat we het beste kunnen leren, op welke manier en wanneer. En
dan nog een stap verder: sommige ontwerpers willen zelfs voor ons beslissen wie
het verdíent om wat op welk moment te leren. En er is ontzettend hard gewerkt
om dit te bereiken, aldus Castañeda.
Maar
gelukkig hebben we daar tot nu toe in gefaald, zo stelt Castañeda vast. Uit
literatuur blijkt volgens Castañeda dat er te veel gefocust is op kwantitatief
en experimenteel onderzoek en dat is onvoldoende om de constructen en processen
in het onderwijs te kunnen begrijpen. Daarnaast spreken we vanwege
verschillende definities van onderwijs en technologie soms over heel
verschillende dingen. Ten derde laten we na om de theorie achter onze
onderzoeksontwerpen duidelijk te maken. Zodoende ontbreekt het bij veel onderwijstechnologie
naar het oordeel van Castañeda aan onderliggend onderwijskundig ontwerp. Castañeda
onderbouwt deze stelling met een analyse van de meest invloedrijke artikelen
binnen het domein van onderwijstechnologie. Die gaan over tools, usability,
implementatie en training, maar nooit over het onderwijskundig ontwerp. Aan de
andere kant schetst Castañeda de smalle definitie van onderwijs als slechts het
verwerven van een vaardigheid. Deze smalle definities vormen een groot
probleem.
Leren
is gesitueerd in een brede context: fysiek, sociaal, cultureel en binnen een
kader van bestaande kennis en kennisopvattingen, legt Castañeda uit. Leren
treedt op binnen die specifieke context. Technologie zouden we moeten
beschouwen als onderdeel daarvan. Het beïnvloedt relatiemodellen, persoonlijke
modellen, leermodellen en institutionele modellen. Zo bepalen tools mede hoe
het onderwijs moet worden georganiseerd. Maar de focus op technologie als een
tool op zich werd pijnlijk duidelijk tijdens de corona-crisis, merkt Castañeda
op. Toen de uitstekende tools en infrastructuur serieus moesten worden ingezet,
rezen er vele problemen. We hebben, zo stelt zij vast, onze leraren getraind in
de tools en digitale content, maar we hebben ze niet geleerd om onafhankelijke
reflecterende professionals te worden, die de bredere context betrekken bij de
inzet van technologie.
Naast de bezinning op technologie is ook bezinning
op het onderwijs nodig. Veel onderwijstechnologie beperkt zich volgens
Castañeda tot vaardigheden en competenties. Maar Castañeda bepleit dat we ons bij
het onderwijskundig ontwerpen van onderwijs-technologie steeds moeten afvragen
hoe we techniek en onderwijs laten samenwerken om mensen te helpen om zelf
beslissingen te nemen en hen in staat te stellen om individuele contexten in
het leren te betrekken. Dit noemt Castañeda empowering. En, betoogt ze,
we moeten nog een stap verder willen gaan door soevereiniteit na te
streven. Digitale soevereiniteit, maar ook soevereiniteit over ons leren en
onderwijs. En daarbij doemt de vraag op wat de standaarden zijn en wie deze
bepaalt. En zo trekt Castañeda haar visie naar een veel breder perspectief, van
het individu naar landen en regio’s.
Als
we de transformatie goed willen vormgeven, zo stelt zij, moeten we onze oren
openen voor andere geluiden en gedachten. Daarvoor hebben we een gezamenlijke
taal nodig. Maar in die gezamenlijke Engelse taal ligt meteen een beperking en
een risico. Door voortdurende vertaling dreigen we onze ideeën te reduceren. Gevolg
is dat we onvoldoende reflecteren en we onderliggende begrippen niet bespreken,
waardoor wederzijds begrip in gevaar komt, waarschuwt Castañeda. Zij sluit
daarom af met de oproep tot het ontsluiten en verbreden van onze perspectieven
en het starten van een bredere dialoog om soevereiniteit van landen en regio’s
te waarborgen.
Castañeda
laat ons met haar betoog anders kijken naar de inzet van technologie in het
onderwijs en plaatst daarmee de voorgaande workshops, maar eigenlijk de gehele
conferentie, in een ander licht. De uiteenlopende ambities zie ik terug in mijn
eigen beroepspraktijk. Toch zie ik een positieve ontwikkeling in agile ontwikkelmethodieken,
waarbij we in nauw contact met stakeholders oplossingen worden ontwikkeld als
integraal onderdeel van hun werkwijze. Maar daarmee zijn we er nog niet. Castañeda
wijst ons met haar oproep tot empowering en soevereiniteit op een meer fundamentele
kwestie. We moeten waken voor een brave new world waarin technologie bepaalt
wat goed voor ons is.
Voor
ontwikkelingslanden is het belang van behoud van soevereiniteit actueel en
urgent. De internet-lasso’s die het Westen en China momenteel om Afrika
leggen (Nauta, 2020) bedreigt direct de digitale soevereiniteit. Daarnaast kan
de drang tot transformatie leiden tot onbedachtzaam kopiëren van methoden en
systemen. Castañeda’s oproep om naast de digitale soevereiniteit te waken voor
de onderwijs-soevereiniteit en dus ook oog te hebben voor de bredere context en
het sociale commitment, geldt voor deze landen dus evenzeer.
Terugblik
De organisatoren, sprekers en presentatoren van ECTELFI zijn erin geslaagd een breed en aansprekend programma neer te zetten. SDG 10 kwam daarbij uitgebreid aan bod, veelal wel met een sterke focus op de technologische standaarden van ontwikkelde landen. Het aspect within countries was alleen duidelijk terug te zien in de workshop LAUR en indirect in de keynote van Castañeda door haar pleidooi voor soevereiniteit en openheid in het wetenschappelijke debat. De workshop LAUR werd, mijzelf niet meegeteld, echter alleen bijgewoond door leden van de community zelf. Voor de community was het waardevol geweest als er ook inbreng en dialoog was geweest met wetenschappers van buiten de community, zo bleek ook uit de belangstelling naar de vragen en problemen waar wij in Nederland tegenaan lopen.
Andere
SDG’s kwamen minder aan de orde. Vladimirova en Blanc (2016) concluderen in hun
studie, dat er inmiddels een breed spectrum aan relaties tussen onderwijs en
andere SDG’s in VN-rapporten aan de orde is gekomen. Ik had daarom verwacht,
dat het programma naast de relatie tussen onderwijs met SDG 10 meer expliciete
relaties tussen onderwijs en andere SDG’s zou bevatten. Andere SDG’s kwamen
alleen onder brede noemer van ‘duurzaamheid’ aan de orde. Duurzaamheid en
inclusiviteit vormden wel de rode draad door de conferentie, alhoewel van
sommige onderdelen de relatie met het thema wat ver gezocht was. Op een
conferentie met een omvang als deze, kun je moeilijk verlangen dat alle
onderdelen onderling logisch samenhangen. Iedere deelnemer zal met zijn of haar
vraag een selectie maken, die aan de vraag hoopt te beantwoorden. De samenhang
volgt dan deels uit die vraag en de interpretatie van de deelnemer. Deze
conferentie bood voor zo’n selectie alle mogelijkheid.
Afgezien
van de focus op de ontwikkelde landen leverde deze conferentie zeker ook inzichten
op die van waarde kunnen zijn voor de ontwikkeling van minder ontwikkelde
regio’s. De LALA Community en kansen in draagbare locatie-gebaseerde
technologie zijn daar voorbeelden van. Aandachtspunt daarbij is, net als voor
ontwikkelde landen, dat de ontwikkeling en inzet van begin af aan voortdurend
in nauw contact met en afgestemd op de eindgebruikers gebeurt.
Onderwijstechnologie dient net als onderwijs zelf rekening te houden met de
context en die context te betrekken. Technologie dient deel uit te maken van
een geïntegreerde visie op onderwijs, waarin empowering en
soevereiniteit een plaats verdienen als kernwaarden.
Die
waarden staan echter onder druk door de hoge kosten van technologische
vernieuwing. De zorgen rondom de exclusiviteit uit mijn inleiding zijn nog niet
weggenomen, maar wel van accent veranderd. Gezien de snelle technologische
ontwikkeling en de grip die de wereldmachten proberen te krijgen op de
ontwikkelende regio’s, blijft soevereiniteit een urgent punt van aandacht én
zorg. Maar niet alleen daar. Ook bij de beschouwing van de ontwikkeling die wij
in het Westen zelf doormaken, van de ambities die wij stellen voor onze
onderwijstechnologie, van het voorspellen en sturen met technologie, blijft
Castañeda’s pleidooi bij mij naklinken.
Referenties
Bhuasiri, W., Xaymoungkhoun, O., Zo, H., Rho, J. J., & Ciganek, A.
P. (2012). Critical success factors for e-learning in developing countries: A
comparative analysis between ICT experts and faculty. Computers &
Education, 58(2), 843–855. doi:10.1016/j.compedu.2011.10.010
Chin, A., & Jacobsson, T. (2016). TheGoals.org: mobile global education on the
Sustainable Development Goals. Journal of Cleaner Production, 123, 227–229. doi:10.1016/j.jclepro.2015.08.061
EC-TEL 2020 (z.d.). Conference Theme. Geraadpleegd op 9 augustus
2020, van http://www.ec-tel.eu/index.php?id=967
Greller, W.,
& Drachsler, H. (2012). Translating Learning into Numbers: A Generic
Framework for Learning Analytics. Educational Technology & Society, 15
(3), 42–57.
LALA Project (z.d.). LALA community cooperation network. Geraadpleegd
op 12 september 2020, van https://www.lalaproject.org/be-part-of-lala
Nauta, H. (2020, 11 september). Met
een internetlasso om Afrika dreigt digitaal kolonialisme. Trouw, p. 16.
Salas‐Pilco, S. Z., & Yang, Y. (2020). Learning analytics
initiatives in Latin America: Implications for educational researchers,
practitioners and decision makers. British Journal of Educational Technology, 51(4), 875–891. doi:10.1111/bjet.12952
Scheffel,
M., Van Limbeek, E., Joppe, D., Van Hooijdonk, J., Kockelkoren, C., Schmitz,
M.,… Drachsler,
H. (2019). The Means to a Blend: A Practical Model for the Redesign of
Face-to-Face Education to Blended Learning. In: Scheffel M., Broisin J.,
Pammer-Schindler V., Ioannou A., Schneider J. (Eds), Transforming Learning with
Meaningful Technologies. EC-TEL 2019. Lecture Notes in Computer Science,
Vol 11722. Springer, Cham. doi: 10.1007/978-3-030-29736-7_70
Tshabangu,
I., & Msafiri, A. (2013). Quality Education in Tanzania: Perceptions on
Global Challenges and Local Needs. International Journal of Asian Social
Science, 3(3), 800-813.
United Nations Sustainable Development. (z.d.). About the Sustainable
Development Goals. Geraadpleegd 9 augustus 2020, van https://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals
Van Baars, L. (2020, 7
augustus). Digi-leren in greep big tech. Trouw De
Verdieping, p. 4-5.
Vladimirova, K., & Le Blanc, D.
(2016). Exploring Links
Between Education and Sustainable Development Goals Through the Lens of UN
Flagship Reports. Sustainable
Development, 24(4),
254–271. doi:10.1002/sd.1626

Meneer Visser, ook nu weer weet u een paar treffende 'oneliners' te schrijven, die terecht een aantal zorgen laten zien:
BeantwoordenVerwijderen"We moeten waken voor een brave new world waarin technologie bepaalt wat goed voor ons is." en "De internet-lasso’s die het Westen en China momenteel om Afrika leggen (Nauta, 2020) bedreigt direct de digitale soevereiniteit."
Tot slot worstelen inderdaad veel onderwijsinstellingen nog met technologie of beter, technologie lijkt een doel op zich en wordt mee gepronkt naar buiten toe, maar zoals je zegt "Technologie dient deel uit te maken van een geïntegreerde visie op onderwijs".
Hopelijk worden deze zorgen de zorgen van beleidsmakers; ver weg en dichtbij huis...