Werken aan betekenis en impact met praktijkgericht onderzoek en hoe het ontwerpen van onderwijstechnologie beter kan


 

Een recensie van het SIA-congres, gehouden op 19 november 2020 en vanwege de Covid-epidemie online gehouden vanuit TivoliVredenburg te Utrecht.

Algemene website van het congres: https://regieorgaan-sia.nl/praktijkgericht-onderzoek/sia-congres.

Een recensie in het kader van de cursus Trends in onderwijs en onderwijswetenschappen van de Master Onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit - Trends 3.


Het SIA-congres en de leervraag

 

“We hebben prachtige tools ontwikkeld, denken we, maar niemand gebruikt ze!”, constateerde Linda Castañeda PhD, docent Onderwijskundige technologie aan de Universiteit van Murcia, afgelopen september op de internationale ECTELFI-conferentie. Zij hield daar in haar keynote een vlammend pleidooi voor een beter onderwijskundig ontwerp als basis voor technologische oplossingen in het onderwijs. Want, zo betoogde zij, onderwijstechnologie staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een onderwijscontext. Om zulke technologie te realiseren, is praktijkgericht onderzoek nodig. Dit type onderzoek kent de context een grote rol toe, laat vraagstellingen ingeven door de praktijk en levert kennis en producten op die de praktijk verder helpen (Rosendal & Ong, in Verhoef, Kuiper, Neijenhuis, Dekker-van Doorn, & Rosendal, 2015).

Als product owner ben ik betrokken bij de ontwikkeling van een landelijk leerlingenadministratie en -volgsysteem en omarm ik het pleidooi van Castañeda van harte. Binnen het gebruikersonderzoek in de softwaresector is al langere tijd een positieve ontwikkeling waarneembaar, waarbij gepoogd wordt om de gebruiker en de context steeds beter te begrijpen en daarbij aan te sluiten. Binnen dat onderzoek heeft user involvement in de afgelopen decennia steeds meer impact gekregen op de kwaliteit van softwareproducten (Bano & Zowghi, 2013). User involvement uit zich vaak in het gebruik van kwalitatieve onderzoeksmethoden en we zien dan ook dat die tegenwoordig veel worden gebruikt in het domein van gebruikersonderzoek (Koeman, 2020). Binnen ons bedrijf merken wij dat juist deze kwalitatieve onderzoeksmethoden veel hinder ondervinden van de huidige coronacrisis, doordat deze methoden afhankelijk zijn van vormen van nabijheid en interactie.

Zowel het pleidooi van Castañeda als de huidige coronacrisis waren voor mij aanleiding voor het bezoeken van het SIA-congres, waarvan het thema dit jaar luidde Praktijkgericht onderzoek gaat door. Dit ééndaagse congres richt zich op de uitwisseling van kennis en ervaringen omtrent praktijkgericht onderzoek en wordt jaarlijks georganiseerd door Regieorgaan SIA. Volgens de congresorganisatie zijn praktijkgerichte onderzoekers bij uitstek in staat om “in uitdagende omstandigheden kansen te pakken door onderzoek en innovatie in en met de praktijk” (Regieorgaan SIA, z.d.). Daarom luidt mijn leervraag voor dit congres: Hoe zetten onderzoekers hun praktijkgerichte onderzoek door in deze crisistijd en wat kunnen wij van die aanpak leren voor de ontwikkeling van onze technologische oplossingen voor het onderwijs? Daarnaast wil ik ook breder kijken wat wij in onze sector kunnen leren van (participatief) praktijkgericht onderzoek in andere sectoren.

In deze recensie blik ik terug op de plenaire opening, op mijn keuze van twee uit de in totaal dertien parellelsessies en op een van de twee keynotes. In de opening werd teruggekeken op ervaringen uit de afgelopen crisismaanden. De sessie Praktijkgericht onderzoek doe je niet alleen ging in op het belang van de samenwerking tussen alle betrokkenen in onderzoek en onderwijs. De sessie Meer maatschappelijk verdienvermogen met Living Labs uit de tweede ronde sloot hier nauw bij aan en illustreerde aan de hand van het Retail Innovation Lab hoe living labs werken en bijdragen aan zowel het economisch als het maatschappelijk verdienvermogen. Dr. Kees Klomp, lector Betekeniseconomie aan de Hogeschool Rotterdam, beschouwde in zijn keynote het onderzoek naar de transitie richting een nieuw economisch systeem waarin welzijn voorop staat.

  

Praktijkgericht onderzoek in crisistijd 

Dagvoorzitter ir. Gerrit Heijkoop MSc opende het congres met een fragment uit een persconferentie waarin premier Rutte uitlegde dat het kabinet bij het nemen van maatregelen om de coronacrisis te bestrijden volledig vaart op de ervaring en kennis van deskundigen. Met dit fragment illustreerde Heijkoop dat praktijkgericht onderzoek dit jaar in het hart van de actualiteit staat. In deze plenaire opening werd met waarnemend SIA-voorzitter prof. mr. Huib de Jong en twee prominente praktijkgerichte onderzoekers teruggeblikt op hun ervaringen in de afgelopen crisisperiode.

De Jong vindt het fantastisch om te zien dat de relevantie van praktijkgericht onderzoek in deze periode zo goed zichtbaar is in persconferenties en in de media. Maar de coronacrisis heeft ook SIA en het praktijkgericht onderzoek hard geraakt, doordat veel onderzoek tot stilstand kwam, aldus De Jong. Onderzoekers werden meer ingezet voor onderwijstaken en doordat bedrijven en instellingen ‘op slot’ gingen, kwam ook de dataverzameling van empirisch onderzoek stil te liggen. Daarom is in de eerste fase van de crisis een extra investering gedaan waarmee onderzoekers uitloop konden financieren en is daarna de regeling Impuls 2020 in het leven geroepen om de structurele ontwikkeling van onderzoek en onderzoeksgroepen te helpen, aldus De Jong.

De Jong benadrukt het belang van zichtbaarheid voor de komende tijd. Ondanks de herkenbaarheid van praktijkgericht onderzoek tijdens de coronacrisis, is zichtbaarheid toch een verbeterpunt uit recente evaluaties. De relevantie staat voor hem niet ter discussie, maar de vraag is hoe dit over het voetlicht kan worden gebracht bij degenen die van het onderzoek gebruikmaken. Volgens De Jong is het daarbij van belang, dat centers of expertise en grootschalige samenwerkingsverbanden en onderzoeksprogramma’s worden opgezet en individuele projecten worden verbonden aan de landelijke agenda en het bredere belang voor de samenleving en de regio’s.

Volgens Furlong en Oancea (2005) is het onderscheid tussen praktijkgericht en theoretisch georiënteerd onderzoek echter niet eenvoudig. Het onderscheid raakt volgens hen aan een reeks van kenmerken, waarop een onderzoek meer of minder ‘praktijkgericht’ kan zijn, zoals het niveau waarop de vraagstelling zich richt, de afstand tot de uiteindelijke toepassing, de manier waarop autonomie en verantwoordelijkheid tussen de onderzoekspartners wordt geregeld en de rol of invloed van de ‘politieke’ of maatschappelijk veranderdoelstelling. Het betreft hier steeds min of meer graduele kenmerken. Net als theoretisch georiënteerd onderzoek kent praktijkgericht onderzoek daarnaast ook verschillende methoden (bijv., Bano & Zowghi, 2013; Bleijenbergh, Korzilius, & Verschuren, 2010). De vraag is dan of die directe en vooral onmiddelijke relevantie en zichtbaarheid wel altijd vereist moeten zijn.

Een praktijkgericht onderzoeker die zijn resultaten de afgelopen tijd wel veelvuldig en bij een breed publiek onder de aandacht kreeg, is gedragswetenschapper dr. Reint Jan Renes, lector Psychologie voor een duurzame stad aan de Hogeschool van Amsterdam. Renes legt uit, dat bij aanvang van de coronacrisis het besef ontstond dat deze crisis mede door aanpassing van het gedrag opgelost moet worden. Daarom werd hij gedetacheerd bij het RIVM om vanuit zijn expertise een speciale gedragsunit mede vorm te geven. Deze had tot doel om zo snel mogelijk grip te krijgen op het gedrag van mensen en zo gerichte adviezen te geven om corona onder controle te krijgen. Renes noemt de intention-behaviour-gap als voorbeeld van de impact die de onderzoeken van de gedragsunit opleverde. Slechts 12% van de mensen die zeiden dat ze zich zouden laten testen als ze klachten hadden, deden dat ook daadwerkelijk. Alleen het benoemen van deze onderzoeksresultaten door de premier in de persconferenties leidde al tot verandering van gedrag.

Prof. dr. Janine Janssen, lector Veiligheid en geweld in afhankelijkheidsrelaties aan de Avans Hogeschool en bijzonder hoogleraar Rechtsantropologie aan de Open Universiteit, kwam eveneens in het nieuws de afgelopen periode. Toen de Volkskrant haar bericht publiceerde over de verwachte toename van huiselijk geweld door de lockdown, werd de aandacht gevestigd op dit negatieve effect van de aanpak van de crisis. Al voor aanvang van de lockdown was bekend dat huiselijk geweld heel goed gedijt in isolement en bij stress, zo legt Janssen uit. Ondanks het ontbreken van ‘harde’ data, trok Janssen toch aan de bel. Als een ‘verbindingsofficier’ wilde zij de wetenschap verbinden met de behoeften en problemen in de samenleving. Wetenschap is er om te dienen, vindt Janssen. Dat gaat volgens haar verder dan het praktijkgerichte onderzoek zelf. De resultaten moeten na afloop onder de aandacht worden gebracht van de samenleving en daar betekenis krijgen.

De Jong wil van de onderzoekers weten of er in de coronaperiode ook vragen bij hen naar boven zijn gekomen die zij op de langere termijn in onderzoek willen oppakken. Janssen heeft de digitale techniek omarmd en ziet kansen om deze toe te passen in toekomstig onderzoek en om in contact te treden met anderen over haar onderzoek. Renes ziet deze crisis als een pilot voor een nog veel grotere klimaatcrisis waarvan de urgentie volgens hem nog onvoldoende doordringt. Hij wil kijken hoe die kennis kan worden aangewend om de klimaatcrisis te bestrijden en zou graag worden uitgenodigd om de Tweede Kamer ook daarover te briefen.

De bevlogenheid van de geïnterviewde onderzoekers was opvallend en werkte aanstekelijk. De interviews illustreren de dynamiek en de invloed die praktijkgericht onderzoek kan hebben. Met de urgentie en betekenis van het onderzoek van Renes en Janssen en het pleidooi voor relevantie en zichtbaarheid verwoord door De Jong werd in deze opening de toon gezet voor dit congres.  

  

Praktijkgericht onderzoek doe je niet alleen 

In de parallelsessie Praktijkgericht onderzoek doe je niet alleen wisselden sprekers van gedachten over de samenwerking tussen overheden, bewoners, marktpartijen, maatschappelijke organisaties en hogescholen op het terrein van praktijkgericht onderzoek, onderwijs, beleid en advies. Volgens sessieleider drs. Gerben Helleman, coördinator van Platform Stad en Wijk, zijn er veel complexe stedelijke maatschappelijke vraagstukken die om die samenwerking vragen.

Dr. ir. Gert-Joost Peek, lector Gebiedsontwikkeling en Transitiemanagement aan de Hogeschool Rotterdam, liet zien hoe die samenwerking bij de Rotterdamse gebiedsontwikkeling vorm en inhoud krijgt. Hij wil de Veranderstad, zo noemt hij de nieuwe visie op stedelijke ontwikkeling, verbinden aan Veranderwijs, de ontwikkeling van het onderwijs over de gebouwde omgeving aan de Hogeschool Rotterdam. Het onderzoek aan zijn hogeschool richt zich op de haven, de stad en de mensen die daarin wonen en werken. De praktijk moet volgens Peek de verbindende schakel vormen tussen het onderzoek en het onderwijs aan de hogeschool. Hij illustreert dit aan de hand van de ontwikkeling van het Rotterdam Makers District, dat bestaat uit twee verschillende deelgebieden: het Merwehaven-Vierhavens terrein en RDM Campus met het kenniscentrum. Zowel het onderzoek van het kenniscentrum als het onderwijs is gekoppeld aan de lokale gebiedsontwikkeling.

Peek ziet in de transitieleer een grote verandering in het benaderen van transities. Vroeger werd meestal gestart vanuit een niche, een experiment in een beschermde omgeving buiten het regime. Zo zijn veel stedelijke labs te beschouwen als experimenten of triple helix-benaderingen waarin markt, overheid en kennisinstituties innovaties ontwikkelen, legt Peek uit. Maar hij signaleert dat de opschaling van de verandering naar het regime zelf via deze weg vaak op problemen stuit. Daarom kennen we tegenwoordig ook de quadruple helix-benadering, waarin de samenleving en haar commitment drijvende krachten zijn van de innovatie. In deze benadering wordt innovatie gestart binnen het regime zelf, wat vaak effectiever blijkt. We moeten daarom, zo bepleit Peek, veel meer gaan kijken naar stedelijke ontwikkeling als een voortdurend proces en niet als een plan met een einddoel. Waar innovatiekern RDM Campus meer als niche opereert, ziet Peek de ontwikkeling van Merwehaven-Vierhavens als illustratie van de quadruple helix-benadering.

Wil de hogeschool met onderzoek en onderwijs hierop aansluiten, dan moet zij zich opstellen als een regime-actor. Het moet het contact met de samenleving intensiveren en langdurig aangaan, aldus Peek. Hij pleit daarom voor meer vakoverstijgende onderwijsvormen, meer interactie met elkaar en de omgeving, meer experiment in het onderwijs, meer focus op verandering en minder op de beheersing van kennis. Daarin moet meer plaats zijn voor lokale leerervaringen en de context meer centraal staan. Dit onderwijs vraagt ook een andere, meer coachende rol van de docent. Voor het onderzoek betekent dit minder eenmalig praktijkonderzoek en meer langjarige betrokkenheid bij een praktijk door je er als hogeschool langdurig in te vestigen.

In zijn reflectie op de presentatie van Peek, ging drs. Robert Duiveman, als associate lector Urban Governance verbonden aan de Haagse Hogeschool, in op de aanpak die hij met de Haagse Hogeschool voorstaat in het praktijkgerichte onderzoek. Hij richt zich op de bestuurlijke kant van stedelijke vraagstukken en werkt met name vanuit stadslabs, leeromgevingen die rond deze vraagstukken worden opgezet. Deze vraagstukken moeten, zo vindt Duiveman, nieuwe kennis opleveren waarmee de betrokken professionals nieuwe handelingsperspectieven krijgen. Dit doel van praktijkgericht onderzoek wordt ook door Bleijenbergh et al. (2010) genoemd. Vergelijken we de presentaties van Peek en Duiveman met de criteria voor interne validiteit voor praktijkgericht onderzoek van Bleijenbergh et al., dan valt op dat beide een sterke nadruk leggen op acceptatie en holisme en dat verifieerbaarheid onderbelicht blijft. Het thema van de sessie was ook impliciet gericht op deze twee criteria, maar vanuit een wetenschappelijk perspectief was het, juist in het licht van deze brede contextuele benaderingen, wel interessant geweest als er aandacht was besteed aan vragen rond verifieerbaarheid.

Hoewel de sprekers veel visie delen, is Duiveman terughoudender in zijn voorkeur voor een transitiebenadering. Praktijken kunnen veranderingen in zijn optiek ook in de weg zitten. Uitwijken naar een niche-omgeving, waar tijdelijk de bestaande routines terzijde worden gelegd, kan blokkades opheffen in onze routines, denkwijzen en curricula. Zolang verandering van de praktijk maar centraal staat, vindt Duiveman het minder interessant of er nu van buiten naar binnen of vice versa wordt gewerkt. Ook is Duiveman voorzichtiger in de verbinding van de transitie in het denken over stedelijke ontwikkeling met een transitie van onderwijs en onderzoek door te stellen dat 20% mogelijk beter kan, maar er geen radicale verandering nodig is.

Op mijn vraag hoe zij hun kwalitatieve onderzoeksmethoden hebben voortgezet in de afgelopen crisismaanden, antwoordden de sprekers gelijkgestemd. Peek refereerde aan de jarenlange relatie met de betrokkenen in zijn onderzoeken. Onderzoekers en betrokkenen kenden elkaar al zo goed dat ze het contact ook online goed konden voortzetten. Duiveman sluit zich daarbij aan. Ook hij werkt in de stadslabs langere tijd met dezelfde mensen samen. Hij voegt toe, dat nieuwe onderzoeksdeelnemers door de bestaande contacten snel in het netwerk worden opgenomen. Daarnaast helpen online ook technieken als energizers, waarmee de gespreksdynamiek verbeterd kan worden, aldus Duiveman. Deze antwoorden boden inzicht in de visie op de relatie met de onderzoeksgroep. In ons bedrijf herkennen wij die langdurige relatie en daar kun je inderdaad digitaal wel even mee vooruit. Maar de vraag hoe vooral de meer complexe technieken worden uitgevoerd, bleef helaas onbeantwoord.

De procesgerichte ontwikkelbenadering die Peek voorstaat herken ik in de agile-ontwikkelmethoden in de softwarebranche. Daarnaast zie ik voor mijn bredere leervraag ook een belangrijk leerpunt voor de ontwikkeling van onderwijstechnologie voor het Nederlandse onderwijs en leerlingvolgsystemen in het bijzonder. Stakeholder-onderzoek kan worden verbreed door (lokale) overheden, onderwijsinspectie, besturen, scholen en ouders niet beurtelings, zoals nu vaak gebeurt, maar meer gezamenlijk en gelijktijdig te betrekken bij de (door)ontwikkeling van functies die onderwijstaken dienen te ondersteunen. Daarnaast pleit Peeks betoog ervoor om het kwalitatieve gebruikersonderzoek niet te beperken tot observaties, interviews en user story-mappings met klanten, maar de praktijk langduriger in te gaan en je er ‘in te vestigen’. De verbreding van het onderzoek kan uiteenlopende verwachtingen of verkeerde interpretaties van regels, opdrachten en opvattingen voorkomen en de verdere verankering in de praktijk kan diepere inzichten geven over de behoeften en werkwijzen. Dit kan technologie opleveren die nog beter aansluit op de praktijk.

  

Meer maatschappelijk verdienvermogen met Living Labs

             In de parallelsessie Meer maatschappelijk verdienvermogen met living labs hield Bart Ahsman MSc, directeur van CLICKNL, het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) van de creatieve industrie, een korte introductie over de Kennis en Innovatie Agenda Maatschappelijk Verdienvermogen (KIA MV). Missiegedreven innovatiebeleid staat centraal in het bedrijvenbeleid voor de topsectoren. De KIA MV gaat over de vernieuwing van het innovatie-instrumentarium voor het versnellen van maatschappelijke transities en het opschalen van innovaties en verdienvermogen, legt Ahsman uit. De missies betreffen maatschappelijke uitdagingen op het terrein van energie en duurzaamheid, landbouw-voedsel-water, gezondheid en zorg, veiligheid en omgevingsveiligheid.

            Bij de aanpak van deze missies wordt voor een lokale benadering gekozen. In de presentatie van dr. ir. Christine de Lille, lector Innovation Networks aan de Haagse Hogeschool, liet zij zien hoe hogescholen hier in de praktijk invulling aan geven aan de hand van het project Future-proof Retail, waarin maar liefst met 23 regionale living labs drie jaar lang werd samengewerkt met retailers en vele betrokkenen. De leervragen voor het project richtten zich volgens De Lille op de opschaling van de living labs, op het helpen ontwikkelen van de lokale ondernemer en op versterking van de samenwerking tussen betrokkenen onderling en tussen het lokale en het nationale niveau. De labs hadden ieder een eigen focus, legt De Lille uit. De één was meer techniek-gericht, een andere hielp meer met ‘overleven’ in crisistijden en een derde richtte zich op circulariteit en duurzaamheid.

De Lille benadrukt dat deze labs niet afzonderlijk maar in samenhang zijn opgezet met het doel om een ‘ecosysteem’ te creëren, gebaseerd op doorlopende cycli van experimenteren, reflecteren, lessen trekken en daarna kennis en ervaringen over de labs heen deelbaar maken voor andere labs. Maar het delen van kennis stopte niet met het beëindigen van het project, vertelt De Lille. Er zijn lessen en webinars voor retailers ontwikkeld, voor andere hogescholen en onderzoekers zijn diverse publicaties verschenen over het werken met living labs en er zijn co-creatietools ontwikkeld die gedeeld worden via de branchevereniging en het SIA-lectorenplatform. Zo kan opschaling plaatsvinden naar andere gemeentes.

            Na de presentatie van De Lille reflecteerde dr. ir. Wina Smeenk, associate lector Empathisch Co-Design aan de Hogeschool Inholland, op de werkwijze binnen het project. Smeenk ziet vanuit haar ervaring, dat empathie in co-creatieprojecten een cruciale rol speelt en vraagt zich af hoe De Lille daarmee is omgegaan. De Lille onderschrijft dat belang en vertelt dat studenten en onderzoekers eerst uitgebreid in gesprek zijn gegaan met de partner en de retailers in het bijzonder, om hen te leren kennen en hun behoeften te achterhalen. Daarna zijn zij veelal 1-op-1 met hen het project ingegaan. De Lille pleit voor versterking van de verbinding tussen lokaal en nationaal niveau om die kennis van de individuele retailer en zijn context ook op het nationale niveau te krijgen.

            Smeenk benadrukt vanuit haar ervaring het belang van een goede selectie van partners en deelnemers aan het begin van het project. Volgens haar is het voor zowel het onderzoek als voor de deelnemers van belang om helderheid te hebben over wie er betrokken zijn en wat hun invloed is. Zo kan duidelijk worden of er nog partijen ontbreken en neemt de intrinsieke motivatie bij de deelnemers toe. Dat wil niet zeggen, dat er niet tijdens het project nog bijgestuurd kan worden. Volgens zowel Smeenk als De Lille is tijd nemen voor reflectie essentieel voor een optimaal leereffect en dus voor borging binnen de lokale context en later voor opschaling. Ahsman vult hierop aan, dat reflectie en het onderzoek naar de succesfactoren ook verbetering van de methodologie mogelijk maken.

Hiermee sluiten de sprekers aan bij de procesgerichte visie van Peek uit de vorige sessie. Maar er zijn ook verschillen in benadering waarneembaar. Het project van De Lille gaat meer uit van de gedachte dat vanuit 23 lokale praktijken deelbare kennis voortkomt, terwijl het pleidooi van Peek voor een duurzame verankering van de hogeschool in de eigen leefomgeving nog meer uitgaat van kennisconstructie binnen en voor één specifieke context. Dit illustreert de diversiteit in het praktijkgerichte onderzoek waar Furlong en Oancea (2005) op wijzen en die qua relevantie eerder complementair dan tegengesteld is. Ook in het ontwerp van onderwijstechnologische oplossingen kunnen we niet altijd op iedere afzonderlijke context aansluiten en zullen we ‘gemene delers’ in de behoeften moeten vinden om oplossingen zowel betaalbaar als werkbaar te houden. Daarvoor kan de les uit de vorige sessie worden aangevuld door in meerdere en verschillende praktijken ‘mee te draaien’.

            

Naar een andere economie waarin evenwicht en ecologie centraal staan 

            De noodzaak om te komen tot een nieuwe economie is de aanleiding voor het ontstaan van het lectoraat Betekeniseconomie aan de Hogeschool Rotterdam. Het begrip betekeniseconomie, zo begint Klomp zijn keynote, is intuïtief ontstaan tijdens een wandeling en was aanvankelijk nog weinig ingekleurd. Na zijn eerste publicaties waarin hij de term gebruikte, ontdekte Klomp dat veel mensen zich in zijn waarnemingen en ideeën herkenden en is hij het begrip verder gaan uitwerken.

            Als we Klomp goed beluisteren, dan ligt de urgentie van het begrip ‘betekeniseconomie’ besloten in de uitleg ervan. Klomp observeert een aantal parallelle ontwikkelingen die de noodzaak onderschrijven om onze economie radicaal te veranderen. Sinds de jaren ’60 zijn we in Nederland het kantelpunt gepasseerd waarbij welvaart niet meer groeit ten gunste maar ten koste van welzijn. De sociale ongelijkheid neemt toe en er vindt op grote schaal ecologische destructie plaats. Bovendien leert de huidige pandemie ons wat de gevolgen kunnen zijn van externe disrupties. Deze ontwikkelingen en bevindingen maken ons economische systeem onhoudbaar en volgens Klomp is er geen tijd te verliezen om een radicale verandering in te zetten.

            Het begrip betekeniseconomie geeft impliciet het contrast aan met onze huidige economie. Klomp legt uit, dat betekeniseconomie kan worden opgedeeld in twee aspecten of betekenissen. Meaning gaat over onze waarden en onze ethiek, over zelfrealisatie en blijft zo nog vrij individueel van aard en kan verschillen tussen mensen en groepen. Purpose duidt meer op een existentiële behoefte, het besef van onze relatie tot elkaar en de aarde, een diepgravend en universeel bewustzijn dat economie ondergeschikt is aan ecologie. Deze verschillende betekenissen zijn ook te beschouwen als twee fasen waarlangs de transitie naar een nieuwe economie zich afspeelt. De eerste staat in het teken van ethiek en incrementele verandering van stakeholder value naar shared value. De tweede is al wel zichtbaar, maar moet nog in omvang toenemen en is die van de radicaal andere, dienende betekeniseconomie: van shared value naar system value. Ecologisch kunnen we deze transitie volgens Klomp ook beschouwen op een schaal van degenerating naar regenerating.

            In een nieuwe betekeniseconomie krijgen bedrijven een andere rol. Volgens Klomp zullen deze, evenals de producten en diensten die zij leveren, niet langer alleen worden beoordeeld op hun financiële winstgevendheid, maar ook op hun maatschappelijke en ecologische bijdrage. Dit vraagt om een andere en radicaal opgerekte ‘waardentaal’, zoals Klomp het noemt. Daarom zet Klomp voor zijn lectoraat drie onderzoekslijnen uit: hoe kunnen bedrijven de nieuwe kansen benutten en profiteren van de transitie, hoe kan het economieonderwijs worden aangepast en toekomstbestendig worden gemaakt en wat zouden de nieuwe uitgangspunten moeten worden voor het lokale economische beleid. Klomp wil deze onderzoekslijnen baseren op praktijkgericht onderzoek. De ontwikkeling naar een nieuwe waardentaal en een nieuw curriculum wil hij in een living lab onderzoeken, samen met docenten, studenten en betrokkenen vanuit de praktijk.

            In de keynote van Klomp herkende ik een toon die ik in alle onderdelen van het congres doorklonk: die van een enorme maatschappelijke betrokkenheid en het ‘maatschappelijke verdienvermogen’. Klomps betoog was geen les over onderzoeksmethoden. Het was een greep naar de keel, een onverholen appél op ons allemaal om te werken aan transitie. Klomp sprak over economie, maar eigenlijk onderstreepte hij nog meer wat eerder door anderen als ‘relevantie’ werd aangeduid. Want wat hij van bedrijven verwacht in de transitie naar de betekeniseconomie, dat legt hij zichzelf en zijn lectoraat ook impliciet op in de relevantie van onderzoek en wetenschap. Binnen ons bedrijf herkennen wij de behoefte en het streven naar relevantie en brengen we dit zo goed en kwaad als het kan ook in de praktijk door scholen instrumenten te geven waarmee zij hun onderwijs beter kunnen maken.

 

 Terugblik 

            Dit online SIA-congres was tot in de puntjes georganiseerd met veel aandacht voor de presentatie en ‘aankleding’, waarbij deelnemers zelfs een zeer attent verrassingspakket met hapjes en drankjes thuis ontvingen. De organisatorische perfectie klonk ook door in de parallelsessies die doorgingen voor workshops, maar meer leken op wetenschappelijke talkshows. De interactiemogelijkheden beperkten zich voor de deelnemers tot het stellen van vragen via de chat. Door deze beperking hadden de sprekers wel uitgebreid de gelegenheid om met elkaar van gedachten te wisselen, wat interessante gesprekken opleverde.

            De kennisgebieden van de door mij bijgewoonde sessies waren voor mij weliswaar onbekend, maar omdat mijn vragen zich richtten op de methoden van praktijkgericht onderzoek, vormde dit geen probleem en was het juist leerzaam om een inkijk te krijgen hoe dit onderzoek in andere sectoren wordt aangepakt. De parallelsessies leverden interessante inzichten op over de procesgerichte benadering van transities, het belang van het betrekken van een brede groep stakeholders waar de samenleving ook onderdeel van uitmaakt en van een diepe verankering in de praktijk. Bij de ontwikkeling van onderwijstechnologie kunnen we van deze aanpak leren en kan die verbreding en verankering bijdragen aan de aansluiting op de context, aan een beter onderwijskundig ontwerp en daarmee aan de verbetering van producten en diensten.

Het was interessant geweest om nog meer te horen over de ervaringen met het onderzoeken binnen de living labs zelf. De focus lag in de sessies vooral op de organisatie, de structuren en netwerken rondom het onderzoek. Die benadering was ook terug te horen in de antwoorden op mijn vragen over hoe de kwalitatieve onderzoeken tijdens de coronacrisis werden doorgezet. Het accent in die beantwoording lag sterk op de langdurige relaties, minder op de praktische invulling ervan. Opvallend blijft ook het verschil in de hinder die wordt ondervonden door de coronacrisis: van oponthoud van datastromen en onderzoek tot vrijwel probleemloze continuering dankzij langdurige relaties. Mogelijk kunnen deze verschillen worden verklaard vanuit de verschillende praktijkgerichte onderzoeksmethoden.

Een vraag die mij blijft bezighouden, betreft het onderscheid tussen praktijkgericht en theoretisch georiënteerd onderzoek als het gaat om de voorname rol van de context. Praktijkgericht onderzoek zou die context meer betrekken en dat leidt tot discussies omtrent de validiteitscriteria die voor praktijkgericht onderzoek zouden moeten gelden. Het contextuele karakter zou praktijkgericht onderzoek gevoelig maken voor problemen met de externe validiteit, wat dit onderzoek wetenschappelijk complexer zou maken dan theoretisch georiënteerd onderzoek (Simon, 2016). Maar volgens Martens (2016) is hier sprake van een schijntegenstelling, aangezien ook voor onderzoek gericht op theorievorming zou moeten gelden dat de complexe werkelijkheid waarin vele variabelen op elkaar inspelen niet op een verkeerde manier mag worden versimpeld.

Wat mij door de sterke samenhang van het congresprogramma wel duidelijk is geworden, is dat degenen die pretenderen praktijkgericht te onderzoeken, dat inderdaad doen in een brede maatschappelijke context en met een bijzondere betrokkenheid vanuit vragen die voortkomen uit de praktijk. In de inleiding benadrukte De Jong het belang van de begrippen relevantie en zichtbaarheid door een aansporing om onderzoeksprogramma’s in verbinding te brengen met de landelijke agenda en daarmee met het bredere belang voor de samenleving. Daar sloten zowel de parallelsessies als de keynote van Klomp naadloos op aan. Praktijkgericht onderzoek lijkt daarmee niet alleen een manier om vraagstukken werkelijk te bevatten in hun volledige context, maar tevens een onderzoeksbenadering die verankerd is in een bredere visie die we herkennen in de wetenschapsfilosofie van het pragmatisme na de Amerikaanse burgeroorlog (Dooremalen, De Regt, & Schouten, 2007): die van een dienende wetenschap.

 

 

Referenties

Bano, M., & Zowghi, D. (2013). User involvement in software development and system success: A systematic literature review. Proceedings of the 17th International Conference on Evaluation and Assessment in Software Engineering - EASE ’13, 125–130. doi:10.1145/2460999.2461017

Bleijenbergh, I., Korzilius, H., & Verschuren, P. (2010). Methodological criteria for the internal validity and utility of practice oriented research. Quality & Quantity, 45(1), 145–156. doi: 10.1007/s11135-010-9361-5

Dooremalen, H., De Regt, D. H., & Schouten, M. (2007). Exploring Humans (1ste editie). Amsterdam: Boom.

Furlong, J., & Oancea, A. (2005). Assessing Quality in Applied and Practice-Based Educational Research A Framework for Discussion. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Oxford University Department of Educational Studies.

Koeman, L. (2020, 17 juni). HCI/UX research: what methods do we use? Lisa Koeman. https://lisakoeman.nl/blog/hci-ux-research-what-methods-do-we-use/

 

Martens, R. (2016, 21 september). Zo duivels is het dilemma van praktijkgericht onderzoek niet. Didactief. https://didactiefonline.nl/blog/blonz/zo-duivels-is-het-dilemma-van-praktijkgericht-onderzoek-niet

 

Regieorgaan SIA. (z.d.). SIA-Congres. Geraadpleegd op 17 oktober 2020, van https://regieorgaan-sia.nl/praktijkgericht-onderzoek/sia-congres

Simon, F. (2016). Het duivelse dilemma van praktijkgericht onderzoek. OnderwijsInnovatie, juni 2016, 26-29.

Verhoef, J., Kuiper, C., Neijenhuis, K., Dekker-van Doorn, C., & Rosendal, H. (2015). ZorgBasics - Praktijkgericht onderzoek (1ste editie). Amsterdam: Boom Lemma.


Reacties

  1. Meneer Visser, complimenten voor uw schrijven!
    Behalve een gedetailleerde weergave van het congres, die zo levendig is dat ik me bijna aanwezig voel, is vooral ook deze zin zowel inspirerend alsook prachtig verwoord:
    "Het was een greep naar de keel, een onverholen appél op ons allemaal om te werken aan transitie".

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

Trends in onderwijstechnologie en hun waarde voor ontwikkelingslanden

Kwaliteitsindicatoren Voor Rapportage van Learning Analytics aan Ouders / Quality Indicators for Reporting Learning Analytics to Parents